Th. K. van Lohuizen, stedebouwkundige/planoloog
Uit zijn eerste publicaties, nog tijdens zijn opleiding tot civiel ingenieur aan de TH Delft, blijkt Van Lohuizens (1890-1956) affiniteit met ruimtelijke en maatschappelijke vraagstukken. Van meet af aan wordt zijn werk gekenmerkt door een sterke betrokkenheid bij de 'sociale quaestie'.

Na enkele jaren bij Rijkswaterstaat was van 1921 tot 1928 Rotterdam het centrum van Van Lohuizens activiteiten. In het kader van het uitbreidingsplan voor Oud-Mathenesse was hij - in samenwerking met J.J.P. Oud - verantwoordelijk voor de oplossing van verkeersvraagstukken en voor de exploitatie-opzet. Verder adviseerde hij over de plannen voor Rotterdam-Zuid, Dijkzigt en Blijdorp. In 1927 werd hij belast met de voorstudie voor een gewestelijk plan voor Zuid-Holland-West.

Van Lohuizen is aan het begin van zijn Rotterdamse periode 'ontdekt' als een getalenteerd stedebouwkundig onderzoeker door mr. Dirk Hudig, de oprichter van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw. Samen met Hudig heeft hij het baanbrekende rapport over het Toekomstig Landschap der Zuiderzeepolders uit 1928 opgesteld. Twee elementen zijn in het bijzonder aan Van Lohuizen toe te schrijven: de analyse van de elementen welke de karakteristieken uitmaken van het traditionele polderlandschap, en de analyse van het nederzettingspatroon op het oude land. De analyse mondt uit in de afleiding van vuistregels en kengetallen voor het ontwerp.

In 1928 treedt Van Lohuizen in dienst van de Afdeling Stadsontwikkeling van Amsterdam. Een van de mijlpalen in zijn Amsterdamse periode, die zal duren tot 1953, was het AUP (Algemeen Uitbreidingsplan) van 1934. Dit is tot stand gekomen in een intensieve, harmonieuze wisselwerking met zijn vriend en collega Van Eesteren, sinds 1929 eveneens werkzaam bij de Afdeling Stadsontwikkeling.

Na de oorlog is Van Lohuizen als adviseur bij de Wederopbouw betrokken bij tal van gemeentelijke plannen in ons land. In 1948 aanvaardt hij - vrijwel gelijktijdig met Van Eesteren - een hoogleraarschap stedebouwkundig onderzoek aan de TH Delft. Samen met hem geeft Van Lohuizen de stedebouwkundige opleiding het karakter van een ontwerpersopleiding, met veel nadruk op de maatschappelijke component van de stedebouw en op het belang van het onderzoek als integraal onderdeel van de planvorming en van het plan zelf. Vanaf 1953 tot zijn overlijden in 1956 was hij bovendien adviseur bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan.





Publicaties over Van Lohuizen



Het levenswerk van Th.K. van Lohuizen 1890-1956
Arnold van der Valk, Delftse Universitaire Pers, 1990,
ISBN 90-6275-640-9
(samenvatting in voorbereiding)


Inaugurale rede Th.K. van Lohuizen
De eenheid van het stedebouwkundige werk. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in het stedebouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool te Delft op woensdag
11 februari 1948.